de doop

Wat leert Gods Woord over de doop

Inleiding

Vele gelovigen kunnen de opvattingen over de doop, zoals vastgelegd in het ’doopformulier’ niet meer als de juiste aanvaarden, omdat zij niet in overeenstemming zijn met Gods Woord.
De kinderdoop is een oorzaak van veel strijd geweest in de Christenheid en is dit vandaag nog.

In dit beknopte werkje willen wij achtereenvolgens iets zeggen over:
1. doop en besnijdenis
2. de christelijke doop
3. de betekenis van de doop
4. algemene bezwaren tegen de kinderdoop
Het is onze bedoeling de belangrijkste punten aan de hand van de Bijbel te behandelen.
Voor een uitgebreidere uiteenzetting over dit onderwerp verwijzen wij naar het bekende werkje ’Gedachten over de doop’, dat verkrijgbaar is bij de uitgever van deze brochure.
Het is ons gebed dat God het lezen van dit artikel zal zegenen voor velen. Laat iedereen die bereid is zich te buigen voor het Woord van God, willen onderzoeken ’of deze dingen alzo zijn’.
De aangehaalde teksten zijn volgens de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, terwijl hier en daar wordt verwezen naar de Voorhoeve-vertaling.

1. Doop en besnijdenis

Het verbond met Abraham

In Genesis 17:10 lezen we dat God de besnijdenis heeft ingesteld. God had met Abraham een verbond gesloten, zoals we lezen in Genesis 15:18 en hem en zijn nageslacht vele zegeningen beloofd, die worden opgesomd in Genesis 17:4-8. Als teken van hun deel aan het verbond, eiste God dat al wat mannelijk was besneden zou worden. Als er in het huis van een Israëliet een zoon geboren werd, moesten de ouders hem op de achtste dag laten besnijden. Het spreekt vanzelf, dat hier geen sprake kan zijn van enig ander motief dan dat het kind vanwege zijn vleselijke afkomst, zijn geboorte als Israëliet, besneden moest worden. Het was alleen een kwestie van gehoorzaamheid van de ouders. De besnijdenis is een figuurlijke voorstelling van het oordeel over het vlees, de zondige natuur. Vooraanstaande theologen, waaronder Calvijn, hebben dit ook zo onderwezen. Een in zonde geboren mensenkind kan niet leven in een verbond met een heilig God.

Daarom gebood God dat de besnijdenis moest plaatsvinden. Als gevolg van de besnijdenis had iedereen die besneden was deel aan de zegeningen van het verbond, dat God met Abraham gesloten had. Dat verbond gold alleen Abraham en zijn nageslacht.
Hoewel in Genesis 17 duidelijk gesproken wordt over het geslacht van Abraham, leest men er vaak overheen en past het toe op de gelovigen van deze tijd. Als argument hiervoor gebruikt men dan de woorden uit Handelingen 2:39: ’Want voor u is de belofteen voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zo velen als de Here, onze God, er toe roepen zal’.
Het woord ’belofte’ gebruikt men dan heel makkelijk, door deze woorden te zien als een verlengstuk van wat God aan Abraham beloofde. Men meent dat de belofte die aan Abraham gedaan is, door Paulus genoemd in Galaten 3:16 dezelfde is, als die in Handelingen 2:39. Het is echter duidelijk dat de belofte waarvan Petrus spreekt in Handelingen 2:39, dezelfde is als die de Heer genoemd heeft, na Zijn opstanding, in Lukas 24:49 en Handelingen 1:4 (zie ook Joh. 14:16, 17 en 26 en Joh. 16:7-14). Het is de Heilige Geest Die uitgestort is, zoals Petrus zegt in Handelingen 2:33.
De belofte waarvan gesproken wordt in Galaten 3:16 (in 15 en 17 ‘verbond’ of ‘testament’) slaat niet op het verbond uit Genesis 17. Dat was een verbond van twee kanten. God de almachtige aan de ene kant en Abraham en zijn nageslacht, dat is Israël, aan de andere kant. Het woord belofte uit Galaten 3 heeft betrekking op de belofte die we vinden in Genesis 22:18. Daar geeft God Abraham, na de ‘bijna-offerande’ van Izaäk, de belofte: ’En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden’ (Statenvertaling: nageslacht = ’zaad’). Volgens Galaten 3 wordt met dit nageslacht, het zaad, Christus bedoeld. Wij zijn geen kinderen van Abraham in de natuurlijke lijn. Het verbond uit Genesis 17 is dus niet met ons gesloten. Wij moeten de nadruk leggen op de woorden: ’Indien u nu van Christus bent, dan bent u zaad van Abraham‘ (Gal. 3:29). Dan horen wij bij het geestelijk zaad van Abraham en zijn op grond daarvan, volgens de belofte, erfgenamen van de geestelijke zegeningen die ons in Christus ten deel vallen. Om Abrahams zaad te kunnen zijn, volgens de betekenis van Galaten 3:29, moet men zich bekeren, wedergeboren worden.

Woordenstrijd over de besnijdenis

In Handelingen 15:1 lezen we, dat sommigen die uit Judea gekomen waren in Antiochië aan de broeders leerden dat zij zich moesten laten besnijden, omdat ze anders niet behouden konden worden.
Paulus en Barnabas hebben zich krachtig tegen deze lering verzet. Indien de doop, zoals dat helaas veel geleerd wordt, in de plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen, zouden Paulus en Barnabas zeker gezegd hebben: ’Wij hebben de doop gekregen in plaats van de besnijdenis’. Dit argument zou voldoende geweest zijn om de tegenstanders de mond te snoeren. De apostel heeft dit echter niet gedaan, omdat besnijdenis en doop twee heel verschillende zaken zijn. Trouwens op geen enkele andere plaats in de Bijbel wordt verondersteld dat de doop de besnijdenis heeft vervangen.

Wat is onze besnijdenis?

Velen grijpen Colossenzen 2:11-12 aan als een bewijs van hun stelling, dat besnijdenis en doop hetzelfde zijn. We lezen daar dat wij, de gelovigen, in Christus besneden zijn met een besnijdenis die geen werk is van mensenhanden, of zoals de vertaling Voorhoeve zegt: ’een besnijdenis niet met handen verricht’. Christus is aan het kruis tot zonde gemaakt. Hij heeft daar de zonde teniet gedaan en in Hem is het ‘lichaam des vlezes’, dat wil zeggen de zonde in het vlees, de verkeerde natuur van elke verloste zondaar, uitgetrokken, geoordeeld. Hij is besneden in Hem. Hij was ’dat Heilige’ en zonder zonde. De zonde in het vlees van iedereen die gelooft is daar weggedaan.
Dat de apostel direct daarop spreekt over de doop wil helemaal niet zeggen dat deze in plaats van de besnijdenis zou gekomen zijn. Dat is al duidelijk als wij bedenken dat de besnijdenis in Christus wijst op Zijn dood aan het kruis. Maar als het gaat om de doop zegt de apostel, dat dit een beeld is van onze begrafenis met Hem.
Deze Bijbelse volgorde is merkwaardig. Door het geloof in de Heer Jezus moet ik eerst weten dat Christus voor mijn zonden en de zonde het oordeel van de dood op het kruis heeft ondergaan. Dat is mijn besnijdenis. Pas daarna kan ik begraven worden in de doop.
Als we aannemen dat iedereen die volgens Handelingen 2 bekeerde Israëlieten waren, dan waren ze allemaal besneden, maar daardoor nog niet bekeerd. Omdat zij het woord aannamen en zich bekeerden konden zij gedoopt worden (Hand 2:41).

2. De Christelijke doop

De doop van Johannes

Er wordt in de Bijbel voor het eerst over de doop geschreven in de Evangeliën. Daar worden enige mededelingen gegeven over de doop van Johannes. De manier waarop dit dopen plaatsvond was kennelijk voor de Joden niets nieuws. Het veroorzaakte geen verwondering of opschudding. Het is bekend dat heidenen, als zij zich tot God bekeerden, vóór hun besnijdenis door de Joden gedoopt werden. Men noemde dit de proselietendoop. Johannes doopte in de Jordaan. Grote menigten uit Jeruzalem en heel Judea kwamen om door hem gedoopt te worden. Hij predikte: ’Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’.
De aankondiging van ’het koninkrijk der hemelen’ stond in verband met de komst van de Messias, als koning van Zijn volk. Maar de toestand van de Joden was zo, dat zij geen relatie konden hebben met de Messias. Hun zonden waren daarvoor een belemmering.
Degenen die door Johannes gedoopt werden, beleden hun zonden (Matth. 3:6). Zij verklaarden daarmee dat zij naar God waren teruggekeerd, van hun zonden gereinigd waren en nu de Messias wilden verwachten.
Niet iedereen die bij hem kwam werd door Johannes gedoopt. De Farizeeën en Sadduceeën meenden daarop wel recht te hebben, omdat zij nakomelingen waren van Abraham. Wij kunnen ons indenken dat zij dit meenden, want hun afstamming van Abraham gaf hun wel recht op de besnijdenis. Maar Johannes zegt tegen hen: ’Beeld u niet in, dat u bij uzelf kunt zeggen: Wij hebben Abraham tot Vader’ (Matth. 3:9). In de natuurlijke lijn was Abraham inderdaad hun vader, maar vleselijke afkomst geeft nooit recht op de doop.
Uit de geschiedenis blijkt dat de Farizeeën en Sadduceeën niets wilden weten van de Messias. Dat de doop van Johannes geheel verschillend was van de Christelijke doop blijkt duidelijk uit Handelingen 19. Toen de apostel Paulus in Efeze kwam vond hij daar twaalf mannen onder de gelovigen. Uit het gesprek met hen bleek dat zij gedoopt waren met de doop van Johannes. Daarop zegt Paulus: ’Johannes doopte een doop van bekering en zei tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, Die na hem kwam, dat is in Jezus’.
Inmiddels was deze Jezus gekomen, gestorven, opgestaan en ten hemel gevaren. De doop van Johannes had daarom geen waarde meer. Deze twaalf discipelen hebben dit direct begrepen en lieten zich ‘dopen in de naam van de Heer Jezus’.

Instelling van de Christelijke doop

In Mattheüs 28:19 geeft de Heer Jezus Zijn discipelen opdracht tot dopen. In Johannes 4:2 lezen we dat de discipelen reeds gedoopt hadden in het bijzijn van hun Heer. De opdracht die zij in Mattheüs 28 ontvangen moet dus op een andere doop betrekking hebben. Anders had de Heer tegen Zijn discipelen kunnen zeggen dat zij op dezelfde manier moesten doorgaan met dopen. Dat heeft Hij niet gedaan, maar hun een nieuwe opdracht gegeven. Hoewel in Markus 16:16 niet direct van de opdracht tot dopen gesproken wordt, lezen we daar dat de Heer Zijn discipelen er op wijst, dat het geloof aan de doop moet voorafgaan. In Handelingen 2 is de toespraak opgeschreven die Petrus na de uitstorting van de Heilige Geest tot de Joden uit alle volken onder de hemel heeft gehouden. Toen zij de woorden van de apostel hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: ’Wat moeten wij doen, mannen broeders?’ Het antwoord van Petrus luidde: ’Bekeert u!’ En nu voegt hij er niet, zoals Johannes de doper deed, aan toe: ’Want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’. Nee, hij zegt: ’Een ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen’.
Uit deze verzen blijkt dat het hier gaat om bekering, de doop in de Naam van Jezus Christus, en het ontvangen van de Heilige Geest.
De apostelen hebben terdege rekening gehouden met de door de Heer gegeven opdracht: eerst bekering, dan de doop. We lezen dan ook in Handelingen 2:41: ’Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen’. Doordat zij het woord aanvaardden en zich bekeerden konden zij gedoopt worden. Ook verder in Handelingen lezen we dat de apostelen en evangelisten niet van deze volgorde zijn afgeweken (zie Hand. 8:12 en 36-38; 9:18; 10:47, 48; 16:33-34; 18:8 enz.). De doop kan alleen maar toegepast worden na de wedergeboorte. Dat houdt dus in dat degene die gedoopt wordt moet gekomen zijn tot erkenning van zijn eigen verloren toestand en dat hij het offer van Christus heeft aanvaard. Het is goed dat wij hen die zich bekeerd hebben er op wijzen, dat de doop onmiddellijk na de bekering moet worden toegepast. Dat is de Bijbelse weg, die ook praktisch werd gevolgd in de eerste tijd van de Christenen.
Men maakt hier wel eens bezwaar tegen met de verontschuldiging, dat zij die zich bekeerd hebben dit maar uit zichzelf moeten vragen. Dit is, vooral bij jonge mensen, een grote fout. Zoals men kinderen en jonge mensen moet opvoeden en leren wat zij moeten doen en nalaten, zo moet men er ook op wijzen dat de Heer wil, dat iemand die tot bekering gekomen is zich laat dopen.

Hoe moet de doop plaatsvinden?

Het Griekse woord ‘baptizein’ is vertaald met dopen en betekent ’indompelen’. Nergens waar van dopen gesproken wordt komt een ander stamwoord voor. Besprengen of sprenkelen is geen dopen. Een bewijs daarvoor vinden we in Leviticus 4:6, waar we lezen: ’De priester zal zijn vinger in het bloed dopen en van het bloed zeven maal sprenkelen voor het aangezicht des Heren’. In deze tekst worden beide woorden naast elkaar gebruikt, waardoor het verschil duidelijk tot uiting komt. De doop kan dan ook alleen gebeuren door onderdompeling. Een duidelijk bewijs dat de eerste Christenen de doop door onderdompeling toepasten is Handelingen 8:38: ’Beiden daalden af in het water, zowel Philippus als de kamerling, en hij doopte hem’.
Als we straks iets zeggen over de betekenis van de doop blijkt wel, dat er voor besprenkeling geen plaats is.

3. Betekenis van de doop

Met Hem gestorven en begraven

In Romeinen 6 wordt uitvoerig geschreven over de betekenis van de doop. In vers 3 van dit hoofdstuk lezen we dat wij ’in Zijn dood gedoopt zijn’.
We hebben al opgemerkt dat Johannes doopte met het oog op de komst van het koninkrijk der hemelen, waarvan Christus de koning zal zijn. Maar de Joden hebben hun koning aan het kruis genageld. Christus is gestorven. De Christelijke doop is niet alleen het getuigenis van de dood van Christus vóór ons, maar hij stelt ons ook voor dat wij met Hem gestorven zijn. Als wij dit weten, wil de Heer dat wij ook met Hem begraven worden. De dood heeft Christus alléén ondergaan. Door de doop erkennen wij, dat we met Hem gestorven zijn. In Colossenzen 2:11 wordt eveneens duidelijk gesproken van ons sterven en begraven worden met Christus. In het hoofdstuk ’doop en besnijdenis’ hebben we al gezien dat wij gestorven zijn met Christus, door onze besnijdenis in Hem. In vers12 lezen we: ’Daar u met Hem begraven bent in de doop’.
Een begrafenis vindt plaats als iemand gestorven is. Zo is het ook met de gelovige. Zodra hij weet met Christus gestorven te zijn moet hij gedoopt, dat is met Hem begraven worden.

Met Christus opgewekt

Wij zijn met Hem begraven door de doop, niet om in de dood te blijven maar om opgewekt te worden, zoals Christus opgewekt is op grond van de majesteit van de Vaders. Dan volgt daarop waartoe deze opwekking dient: ’… opdat wij zouden wandelen in nieuwheid des levens’ (Rom. 6:4). Zo zijn wij door onze opstanding met Hem een nieuwe schepping in Christus Jezus geworden. We zijn daardoor in staat gesteld een nieuw leven te beginnen. Wat een genade, wat een verantwoordelijkheid.

Afwassing van zonden

De derde plaats waar iets gezegd wordt over de betekenis van de doop vinden we in 1 Petrus 3. In vers15 worden we vermaand altijd bereid te zijn tot verantwoording, aan wie ons rekenschap vraagt van de hoop die in ons is. In vers 21 spreekt de apostel over de doop. Hij zegt dat de doop niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God. Dat is heel ernstig. Het leert ons dat iemand die gedoopt wordt, zich goed bewust moet zijn te staan in de tegenwoordigheid van God.
Laten we ons dit goed realiseren. Wat hier gezegd wordt komt overeen met de woorden die we van Ananias lezen in Handelingen 22. In vers16 zegt hij tegen Saulus: ’Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van Zijn Naam’. Al zegt hij die gedoopt wordt bij deze handeling niets, hij moet zich er goed van bewust zijn dat de naam des Heren (Vader, Zoon en Heilige Geest) over hem uitgeroepen wordt. In vers 13 heeft Ananias Saulus al broeder genoemd, waaruit blijkt dat hij hem al als zodanig erkent. Hieruit volgt dat de doop niet is een afwassing van de zonden, maar een symbolische voorstelling daarvan. In de doop geeft God aan de dopeling de verzekering van de vergeving van zijn zonden. Hij zegt als het ware: ’Zo zeker als dit water reinigt en afwast, zo zeker is het, dat je bent gereinigd en gewassen van je zonden door het bloed van Christus’.

4. Algemene bezwaren tegen de kinderdoop

In vele kringen hecht men grote waarde aan het dopen van pasgeboren kinderen. Hiervoor bestaat gelegenheid als één van de ouders, soms ook de grootouders, lid is van een kerkgenootschap. Het kind dat dan gedoopt is, wordt een ’dooplid’ van de betreffende kerk genoemd.
Het is heel moeilijk te begrijpen wat voor zin dit heeft. Ik hoop en vertrouw dat niemand zal denken dat ik iemand wil kwetsen, omdat ik weet dat veel ouders het laten dopen van hun kinderen beschouwen als ’heilig goed’. Het onbegrijpelijke is, dat men zich verkeerd laat informeren en dat men niet zelf de Bijbel op dit onderwerp onderzoekt. God heeft ons de verantwoordelijkheid gegeven om aan de hand van Zijn Woord te onderzoeken wat Zijn gedachten zijn. Dit geldt natuurlijk ook voor de doop. Gelukkig zijn er de laatste tijd gelovigen, ook onder de predikanten, die het aandurven te getuigen tegen de onhoudbaarheid van het dogma van de kinderdoop.
Het dopen van zuigelingen was in de eerste eeuwen van de geschiedenis van de Christelijke kerk niet gebruikelijk, het was zelfs onbekend. Professor Bakhuizen van den Brink zegt in het Handboek der Ned. Herv. kerk dat men tot aan Irenaeus (2e en 3e eeuw) van niets anders verneemt dan van de doop van volwassenen. De grootste voorstanders van de kinderdoop hebben moeten toegeven, dat deze onbekend was bij de eerste Christenen.
Een beroep op de besnijdenis gaat dus niet op. We erkennen dat de kinderen heilig zijn door hun gelovige ouders, maar ze zijn toch in zonde ontvangen. Het is duidelijk dat met ’heilig’ een uiterlijke afzondering wordt bedoeld. Van bekering en geloof is geen sprake. ’Wat uit het vlees geboren is, is vlees’, is de duidelijke uitspraak van de Heer Jezus tegen Nicodemus in Johannes 3:6.
Weer anderen voeren aan, dat in Handelingen wordt verteld dat hele gezinnen gedoopt werden. Dan waren daar ook kinderen bij. Men wijst dan bijvoorbeeld op Handelingen 16:15, waar sprake is van Lydia en haar huis; op Handelingen 16:34, waar gesproken wordt van de doop van de gevangenbewaarder en zijn gezin en op 1 Korinthe 1:16, waar we lezen dat Paulus het gezin van Stefanas gedoopt heeft.
Nu wordt nergens gezegd en we kunnen ook nergens uit afleiden, dat bij deze gezinnen (onbekeerde) kinderen waren. Deze bewering is dus puur op veronderstellingen gebaseerd. Van de gevangenbewaarder wordt zelfs uitdrukkelijk gezegd dat iedereen in zijn huis geloofde. Daarom konden zij, daarom moesten ze worden gedoopt.
Helaas beroepen velen zich bij hun verdediging van de kinderdoop op het doopformulier. Zolang men dit formulier als grondslag wil gebruiken, zal de duisternis niet worden weggenomen. In een rapport van de generale synode der Ned. Herv. kerk wordt erkend, dat het doopformulier zich ter verdediging van de kinderdoop niet of bijna niet en in elk geval zeer zwak beroept op Bijbelse gegevens.
In het formulier voor de doop voor volwassenen is dat anders.
Als men probeert de kinderdoop te verdedigen op grond van Gods Woord, zal men bij een eerlijk onderzoek moeten erkennen dat elk argument uit de hand wordt geslagen. Men vindt in de hele Bijbel niet één woord over het dopen van kinderen, noch voor, noch tegen. Kan men zich indenken dat, als het Gods wil zou zijn de kinderen te dopen, Hij ons hierover niet geïnstrueerd zou hebben? We brengen dan nog niet eens ter sprake dat ’besprenging’ niet hetzelfde is als dopen.
De Heer heeft ons in de doop zulke betekenisvolle dingen gegeven. Hij heeft op tal van plaatsen door Zijn Geest, in Zijn Woord ons daarover willen onderwijzen. Laten wij er dan niet iets anders van maken en daardoor handelen in strijd met Zijn gedachten. Dat is tot verdriet van de Heer en tot schade voor onszelf.
Het is onze wens dat God ons vastbeslotenheid geeft om in gehoorzaamheid aan Zijn Woord te handelen. Ook al kost het ons strijd en vijandschap.